‘Fijne Sinterklaas!’

‘Een fijne Sinterklaasavond!’
Ik schrok op uit mijn diepe gepeins toen ik deze woorden op de gang zo enthousiast hoorde weerklinken. Zeiden de 2 mannen (vermoedelijk artsen) dit nou echt? Een.fijne.Sinterklaasavond?
Ik bedoel, was het vanavond, ondanks alles, dan toch Sinterklaasavond? Draaide de wereld, buiten deze kamer van 12m², gewoon door? Kennelijk dus wel ja. Ik was er zelf eigenlijk verbaasd van.

Nadat het leven deze ochtend weer aan de noodrem had getrokken, waren de mensen om haar heen, gedurende deze dag, steeds meer tot stilstand gekomen. Na het telefoontje in de vroege ochtend was er bedrijvigheid ontstaan, een soort van zenuwachtig handelen, om zo snel mogelijk bij haar te komen in dat vreemde ziekenhuis waar ze naar toe was vervoerd. En toen we er eenmaal waren en ook de kleinkinderen één voor één arriveerden voor een laatste kus, werd ons handelen minder – ons spreken zachter – de intimiteit groter. Met het verstrijken van de uren en het minder worden van haar bewustzijn, verdween de wereld buiten deze kamer die tot een paar uur geleden ons hele bestaan nog in beslag nam, steeds verder naar de achtergrond. De laatste herinneringen die daar op dat moment nog gemaakt werden, werden haarscherp opgeslagen. En omdat iedereen dit besefte, we hadden deze weg immers al eerder bewandeld, werd ieder detail op het netvlies en in onze ziel gegraveerd.

Ons spreken werd fluisteren en onze behoefte aan contact met de buitenwereld, werd  behoefte aan nog een woord of gebaar van haar die we mee konden nemen in de nieuwe realiteit die ons te pakken zou krijgen zodra we ook maar één voet uit deze kamer zouden zetten. Onze vragen of ze pijn had en lekker lag, maakten plaats voor vanzelfsprekende kleine bewegingen zoals het recht leggen van een deken.

En daar, in die kleine kamer, werd ruimte gemaakt om los te laten in de meest scheurende vorm. Werden wij klaar gemaakt om leven door te geven aan de generaties na haar. In het vasthouden van haar, nu nog, warme handen, lieten we haar tegelijkertijd los.
Door daar, in die kamer, die dag, stil te worden gezet, konden we straks weer verder.
Hoe snel we van de wereld buiten die kamer vervreemd waren, was verbazend. Dat bleek wel door de vastberaden voetstappen die die avond rond 19.00 uur over de lege ziekenhuisgang stapten. En de mannenstemmen die samenkwamen in die ene blijde zin: ‘Een fijne Sinterklaasavond!’

Ik hield mijn adem in en keek naar de hand van mijn stervende moeder in de mijne.

Advertenties

Introspectie

Ik duw het hek van de begraafplaats open. Hij piept en ik laat hem halverwege los waardoor de beweging bevriest en ik net door de opening naar binnen kan glippen. Wanneer ik het hoekje om loop en m’n ogen het graf zoeken, zie ik als eerste het zacht, aarzelende vlammetje op het graf. Alsof het zich afvraagt of het nog wel de moeite waard is om daar hoopvol wat licht te verspreiden. Maar ik ben er blij mee omdat ik weet dat mijn broer dat vlammetje moet hebben aangestoken – wat betekent dat hij er dus pasgeleden ook nog is geweest.
Mijn voeten weten de weg naar het graf, wat nu alweer bijna 3 jaar onze eindbestemming is als het over pap en mam gaat. Daar kunnen we ze vinden maar ook niet meer vinden. En als ik ervoor sta, merk ik dat de druppels van de net voorbijgetrokken regenbui, mismoedig van de laatste bladeren die nog aan de bomen hangen, op de ontelbare graven vallen. Ik ben blij dat het niet meer regent, maar ook zonder de regen is het een natte, klamme en schreeuwend troosteloze bedoening.

Ik kijk naar het graf en zie dat er, behalve de plantjes, niets veranderd is sinds de vorige keer dat ik hier stond. Voor nieuws is dit ook niet de goede plek. Behalve dan misschien dat aan weerszijden de graven geruimd zijn. Gelukkig. Die lelijke en totaal uit verhouding gegroeide conifeer is ook geruimd. Zo kan er wat meer zonlicht op het graf van pap en mam vallen. Maar dan moet het eerst voorjaar worden.

Mijn blik glijdt omhoog, naar de grijze lucht. Zo’n echte novemberlucht waar geen spoortje hoop en blijdschap in te ontdekken valt. De vele bomen die op de begraafplaats staan, zijn bijna al hun bladeren al kwijt. Die liggen als een okergekleurde deken over alle graven. Nu zijn de dikke, zware takken weer zichtbaar. En zoals ze zomers beschermend over de graven schaduw en beschutting gaven, waar tranen ongezien konden vallen, steken ze nu in koude grauwheid naar de hemel.
Hoe langer ik kijk, hoe meer het lijkt dat ze klauwend houvast willen vinden in de lucht. Houvast omhoog omdat er om en onder die zwarte takken al zoveel is wat los is gelaten. Levens die zich los hebben gescheurd van het leven en geliefden. Die takken. Ze zoeken vertwijfeld hun weg tussen de aarde en de hemel. Hun zwarte silhouet steekt af tegen de grijze lucht die ze lijkt te verwelkomen.

Tijd om los te laten. Voor alles en iedereen. Dus ook voor al die bomen daar op die kleine begraafplaats in het Gooi die zo belangrijk voor me is. Tijd om naar binnen te keren. Introspectie. Niet alleen voor ons als mens, maar dus ook voor al die majestueuze bomen.
En ik besef. Dit is het. Meer zal het niet worden.
Wanneer mijn vingertoppen de namen van mijn ouders hebben beroerd, keer ik me om en loop langzaam naar de uitgang.
Het hek staan inmiddels wijd open en een nieuwe grafsteen wordt van een auto getakeld.

Lekker belangrijk

Ik wilde met m’n dochter oversteken op dat kruispunt toen ik plots zag dat de richting die we op wilden, was afgezet met rood-wit lint. De brandweerwagen dwars op de weg en de gele hesjes van de vele hulpverleners vertelden, voordat m’n hersens het verhaal  helder hadden, al eigenlijk alles al. Het feit dat de politie het goed vond dat ik aan de overkant van de weg, tegen het verkeer in langzaam m’n weg zocht, gaf al aan dat het ernstig was. Er daalde een zwaar gevoel op me neer.

Op een steenworp afstand, in de winkelstraat draaiden de mensen hun hoofden weer terug, gericht op hun eigen ding en leven. Ik deed hetzelfde terwijl ik met verbazing keek naar de tegenstelling van leven en dood. Hier en daar ving ik delen van het ongeluk op. Over de traumahelikopter die halverwege de vlucht weer om kon keren. De oudere vrouw die daar lag op dat koude, zwarte asfalt, was niet meer te redden geweest.
En daar lag ze nu nog, op weg naar de apotheek 20 meter verderop, geknakt en uit de flow van het leven gerukt. Dat kan ’s morgens nooit haar bedoeling zijn geweest. Geen afscheid. Denken dat een boodschap gewoon een boodschap is, terwijl het onomkeerbaar omgedraaid wordt naar een onheilsboodschap voor de nabestaanden.
Toen ik er langs fietste lag ze daar dus nog. Dat voelde ik al zonder haar te zien. Te wachten op de auto van de begrafenisondernemer om haar op te halen en haar naar een hele andere bestemming te brengen dan ooit haar bedoeling kon zijn geweest. Geen hoop meer. Niet van de politie- of brandweerwagen en niet van de traumahelikopter die haar wilden redden. Haar laatste hoop was die kleine zwarte auto. Hoop dat hij niet zo hard gereden had en nog op tijd had kunnen remmen. Maar te laat. Achteraf. Als….dan…

Onderweg naar huis merkte ik dat ik me zwaar irriteerde aan de auto die me geen voorrang gaf. Nu besef ik dat ik als fietser een uur daarvoor met m’n neus op de feiten was gedrukt door achter dat blauwe, flapperende scherm een dode vrouw te weten. Dat beeld zette zich onbewust vast in hoe snel alles anders kan zijn.

En in de winkels vormden zich rijen voor de kassa’s met dat wat iedereen nodig had. En ik kocht die broek in dat boetiekje die ik vorige week al had gezien en waar ik m’n zinnen op gezet had.
Lekker belangrijk..

Weg ermee!

Vak verplaatsen

Ik merkte vorig jaar rond deze tijd al een enorme behoefte om mijn huis leeg te maken. Leeg van alle spullen die we in de loop van de tijd verzameld hebben maar ook van alle spullen die na het overlijden van ouders en schoonouders toch érgens heen moesten en dus een plek vonden in ons huis maar die enorm veel ruimte innemen. Maar ja, ’t was ooit van je (schoon) ouders dus dat doe je niet weg hé? Ze zijn zelf al weg dus die laatste spulletjes blijf je braaf bewaren. Wij tenminste wel.
Helaas was er vorig jaar echter te veel aan de hand in het gezin dus toen schoof mijn onrustige gevoel al snel weer naar de achtergrond. Niet dat daarmee mijn behoefte aan licht en vooral ruimte om me heen verdween, dat bleef regelmatig de kop opsteken. Een beetje lastig was ook dat niet alleen ik, maar ook de Man inmiddels ZZP’er zijn en er dus behoorlijk wat zakelijk spul hier in huis een plek nodig heeft.

In de afgelopen maanden (en jaren) heb ik gemerkt dat mijn intuïtie me heel veel te vertellen heeft, alleen moet ik nog leren om ernaar te luisteren. Dus dat heb ik (na dat blogje een poosje terug over dit onderwerp) ook maar eens wat serieuzer aangepakt. Ik kocht een boek over dit onderwerp en ben hard bezig om veel meer vanuit mijn intuïtie te leven en te handelen. Een mooi proces waar ik niet eens veel moeite voor hoef te doen, behalve het serieus te nemen wanneer er weer een ingeving voorbij komt.
Eén van de dingen die in dat boek wordt genoemd is het wegdoen van spullen die je letterlijk en figuurlijk in de weg staan. Ze kunnen je in sommige gevallen zo vasthouden aan dat wat ooit was, dat het alle energie in je blokkeert voor dat wat er nog in het verschiet ligt.
Nou ja zeg, dat zijn dus precies de woorden die ik al een paar jaar voelde!

Kort geleden heb ik dus maar weer eens geopperd bij de Man dat ik toch graag weer een poging wil wagen om het huis wat leger te krijgen. Hij vond het een goed plan. Die 2 grote dozen postzegelalbums van wijlen mijn schoonmoeder: de Man is bezig om ze los te laten en ik zal de dag prijzen als die ruimteverslinders weg zijn. Net zo als al die oude boeken, foto’s, cd’s en kleding die me geen goede vibe meer geven. Ze worden uitgezocht en verdwijnen in dozen die meteen weggebracht worden, zodat we ons niet kunnen bedenken. De oude gordijnen van m’n moeder: weg ermee want die stonden op zolder ook nog ergens in een vuilniszak te wachten op een wonder. Ik kan niet wachten tot de dochter het huis uit gaat (zal nog wel ff duren want ze is sinds vorige week haar baan kwijt) want dan gaat die oude kast van mijn ouders direct met haar mee: wat een sta-in-de-weg is dat kreng. Ja kreng, want de melancholische waarde van die kast is de afgelopen 3 jaar stevig gedaald tot een nulpunt. Er zijn trouwens nog genoeg dingen van mijn ouders die wel bewaard worden hoor, maak je geen zorgen.

Voor ieder doos of zak die het huis uit gaat, vermenigvuldigd de ruimte in mijn hoofd en ziel met de factor 10. Wát een heerlijk gevoel!

 

Zalige herfst

Autumn Leaves

Ik heb een hekel aan de herfst.
Omdat het aangeeft dat de zomer, waar ik zo van hou (maar niet te warm a.u.b.) dan echt voorbij is en ik een gruwelijke bloedhekel heb aan de maand november. Waarom? Geen idee maar als het november is weet ik een paar dingen zeker: dat de winter nog niet eens goed en wel begonnen is, het al wel zeikweer kan zijn en het nog lááááng geen zomer wordt.
En aangezien iedere dag in oktober je dichter brengt bij november vind ik voor het gemak die hele herfst niks. De herfst was in het verleden voor mij ook het jaargetijde dat mijn winterdepressie weer volop toesloeg en er zijn jaren geweest dat ik me door die laatste 3 maanden van het jaar heen heb moeten worstelen. Goddank is dat alweer jaren verleden tijd, maar ik ben altijd wat melancholisch als het oktober wordt.

Maar niet dit jaar!
Wát een heerlijke herfst is het tot nu toe! Nou ja, een stormpje hier en daar mag de pret niet drukken, maar dat zorgde er in dit geval wel voor dat het onverwacht prachtig weer was, de afgelopen weken. De hoge temperaturen gaven aanleiding om voor m’n kledingkast te staan en toch maar weer een shirt met korte mouwen uit de stapel zomerkleren te vissen en m’n okergele nieuwe vest met spijt nog even op de plank te laten liggen. De buitendeur naar de tuin ging weer wijd open en de winterjas verdween op de kapstok weer achter m’n leren jack. Ik fietste deze week zelfs nog zonder jas naar de stad terwijl ik overdadig zat te genieten van dit cadeautje. Die heerlijke warmte van de zon op mijn huid als ik met Hugo wandelde, zorgde ervoor dat hij bij ieder struikje wat hij de moeite waard vond mocht snuffelen.

Aan de andere kant ben ik ietwat van slag door deze warme en mooie dagen want mijn hele systeem roept dat ik me naar binnen wil keren terwijl de zon roept dat ik naar buiten moet. Dus nu het vandaag waait en wat kouder is vind ik het ook weer prima.
Maar goed, ik vind het het mooist herfstcadeau sinds jaren en denk dat november een eitje gaat worden in vergelijking met andere jaren.
Zo niet, dan horen jullie dat.. 😉

Huisdieren

Ik ben dól op (huis)dieren. Als jong meisje groeide ik op in een gezin waar we huisdieren hadden. In alle soorten en maten.
Een hond, een muisje waar mijn broer op een wonderlijke manier aan gekomen was, wandelende takken, vissen, een landschildpad en waterschildpadjes, een dwergpapegaai, een parkiet die door de kat van de buren opgevreten is, noem het en wij hadden het.

Mijn huidige dierenverzameling bestaat uit 3 poezen en een hond. Meer huisdieren durf ik niet aan nadat De Man hier riep: ‘Als er nog een huisdier bijkomt, ben ik weg.’
Ik heb ook, eerlijk gezegd, niet veel behoefte om nog meer dieren om me heen te hebben want ik ben er behoorlijk druk mee. En vooral de laatste tijd met de poezen.

Een maand geleden zei de dochter op een nietsvermoedende zondagmiddag: ‘Nanouk heeft een gat in haar buik!’ Ik draaide haar fluks op d’r rug en inderdaad: daar zat een gat. Hoe ze eraan kwam; géén idee want zo te zien zat het er al een dag of wat en ik had niets aan haar gemerkt qua gedrag. Ze at nog net zoveel als anders en liep gewoon de hele dag buiten.
De volgende dag ben ik meteen naar de dierenarts geweest want inmiddels weten we dat het bij haar volledig uit de klauwen kan lopen, naar het drama met haar getrokken tanden 2 jaar terug.
Daar kreeg ze een spuit en een antibioticakuur mee naar huis die ik met veel moeite (want geen tanden meer in haar bek) achter in haar keel geduwd kreeg.
Ze knapte in razend tempo op en binnen een week was het gat dicht. Hoezee.

Vorige week vrijdag was het raak met Pippa. Ze was al een paar dagen onrustig en erg aan het mauwen. Ik dacht nog dat het door de storm kwam…. Er lag die ochtend bloed in de kamer en ze zat wel héél vreemd en lang op de kattenbak. Ik zag de bui alweer hangen en duwde direct een lepel onder haar derrière om urine op te vangen. De 3 druppels zoog ik op met een spuitje en belde de dierenarts. Die zei: ‘Kom maar langs voor pijnstillers.’ De Man erheen. Hij kwam terug met pijnstillers maar ook met speciaal dieetvoer omdat die druppels urine vol bleken te zitten met kristallen. Mevrouw heeft blaasgruis.
Ze moet 6 weken dat retedure voer eten en mag absoluut geen ander voer. Dat betekent dus dat we al een week heen en weer rennen om de bakjes te wisselen al naar gelang welke kat wil eten. Floortje eet normaal gesproken R.oyal C.anin maar haalt daar haar neus voor op, het nog duurdere voer voor Pippa is veel aantrekkelijker. En als ik niet snel genoeg ben, begint Pippa aan het voer wat ze nu dus niet mag…
Ik kom met gemak aan mijn stappendoel per dag, dat snap je.
Gelukkig knapt ze ook al weer wat op. Over 5 weken weer urine opvangen en na laten kijken…. wish me luck…

Duizend dagen dood

Duizend dagen ben je nu dood.
Of, liever gezegd: toen ik gisteren eens ging tellen omdat die dag me toch al redelijk dichtbij leek, bleek je al 1007 dagen dood te zijn. Daar schrok ik dan weer van want ik had me zo’n duizend dagen geleden voorgenomen om die duizendste dag een beetje te herdenken. En nu was ie ongemerkt voorbij gegaan. Op dag 999 had ik nog mijn poetshulp ontslagen maar op dag 1000 gebeurde er niets bijzonders. Behalve dan dat je alweer 1000 dagen dood bent.

Wat is er veel gebeurd zeg, in die duizend dagen die liggen tussen het moment dat we onverwacht aan je sterfbed zaten en de dag van vandaag. Een buitenstaander zou zeggen dat ik er in die duizend dagen inmiddels wel een beetje aan gewend zou moeten zijn dat je er niet meer bent. Ach ja, dat is het ook al wel. Een beetje. Maar toch..

Wat betekenen die duizend dagen dood eigenlijk voor me?
Alweer duizend dagen heb ik je niet opgebeld.
Duizend dagen dat je telefoonnummer nog steeds in mijn telefoon staat, met jouw foto er ook nog bij en je af en toe ‘nog even langs komt’ als ik scroll.
Duizend dagen geen reden meer om naar je huis te rijden en je daar te bezoeken.
Duizend dagen dat ik dacht: ‘Oh, ik moet mam dit écht even vertellen!’
Duizend dagen dat ik je stem niet meer hoorde.
Duizend dagen geen reden om te vragen hoe het met je gaat.
Duizend dagen dat ik me geen zorgen meer om je hoef te maken en om je gezondheid.
Duizend dagen dat ik in mijn agenda geen vrije momenten hoef te plannen om langs te komen omdat het nogal een reis was.
Duizend dagen niet meer met jou over papa praten.
Duizend dagen van loslaten.
Duizend dagen van op een andere manier vasthouden.
Duizend dagen wennen aan het idee van ‘nooit meer’.
Duizend dagen zeker weten dat sommige dingen die je bij leven nooit tegen me zei, ik nu nooit meer hoef te verwachten.
Duizend momenten dat ik me realiseer dat ik een groot stuk rouw nog niet uitgewerkt heb.
Duizend dagen geen kind van ouders meer zijn.
Duizend dagen, duizenden tranen, duizenden ademhalingen.
Duizend dagen.
Duizend nachten.
En dit is nog maar het begin.
Je komt nooit meer zo dichtbij dan duizend dagen geleden.
Dag mam.

Handicap?

Ik las afgelopen week ergens dat het maar een vervelende handicap is als je doof bent.
‘Handicap?’, dacht ik, ‘ huh, ben ik nu dan gehandicapt?’ Zo voelt het niet voor me, maar dat zeg ik wanneer ik er nogal afstandelijk naar kijk.

Als ik het op me in laat werken en mijn gevoel erbij betrek moet ik eerlijk zeggen dat ik me wel gehandicapt voel. In ieder geval sinds ik mijn hoorapparaten heb. 😉
Ik voel me met die apparaten behoorlijk gehandicapt omdat mijn zenuwstelsel totaal overprikkeld is door alles wat ik nu hoor. Dat beperkt me want ik loop steeds met m’n afstandsbediening het geluid bij te stellen. Geeft niets, kwestie van wennen. Ik vind dat man en dochter héél hard praten en trek op sommige moment m’n apparaatjes uit m’n oor omdat het te veel is. Dat kun je trouwens ook héél demonstratief doen, ontdekte ik…
Aan de andere kant: volgens dezelfde man en dochter hoor ik veel meer dan voor het apparaten tijdperk. Da’s een voordeel maar ja, daar heb ik ze tenslotte voor.

Wanneer ik het omdraai, realiseer ik me dat ik de afgelopen járen zonder apparaten ontzettend veel gemist moet hebben en onbewust mijn leven al aangepast had op het slechte horen. Ik zorgde er met de studies altijd voor dat ik pal vooraan zat omdat ik anders de helft van het verhaal miste. In gezelschap zonder hoortoestellen was een ramp. Ik hoorde dan alles wat er gezegd werd om me heen, maar alles half. Wanneer de kinderen van boven iets riepen naar me als ik beneden in de huiskamer was werd ik regelmatig pissig want ik verstond het niet. Nee, zelfs niet als ze schreeuwden.
Nu pas merk ik dat die dingen eigenlijk een handicap waren zonder dat ik het zelf in de gaten had.

Dus ja, ik ben al jaren gehandicapt alleen had ik het zelf niet in de gaten.
Die hoortoestellen: daar wen ik al aan dus dat komt goed. Ik denk dat ik deze handicap nog even moet accepteren en meer mag gaan benoemen dat ik ‘ietwat’ doof ben zodat anderen me aankijken als ze iets tegen me zeggen en niet te hard moeten schreeuwen als ik naast ze sta alstublieftdankuwel. En ik mag voor mezelf accepteren dat ik als hoogsensitief deerntje nog sneller overprikkeld kan raken dan vroeger (lees: 2 weken geleden) en tijd moet nemen om bij te komen.

Nieuw

Het is weer tijd voor een nieuw wachtwoord.
Dus dat betekent: reageer je de laatste maanden regelmatig, dan kun je ‘m krijgen. Anders niet. Ook niet als je al jaren meeleest maar niet reageert.
Mail me maar even. Mailadres vind je hiernaast –>

Update: ik krijg berichten dat mijn mailadres het niet doet. Volgens mij gebruiken jullie dan niet mailvoorpien@gmail.com gebruikt.
Ik heb het in mijn zijbalk expres met spaties geschreven omdat ik anders overspoeld wordt door spam.